Bloedsuiker cover

Bloedsuiker

Het zoete leven van een jonge arts in Spanje

Een paar weken na haar artsexamen besluit Sam een reis naar Spanje te boeken. In Valencia maakt ze kennis met het goede Spaanse leven. Als Sam de kans krijgt een café over te nemen van de Spaanse mama Martínez, besluit ze in Valencia te blijven en van haar tweede grote passie, taarten bakken, haar beroep te maken. Als een vriend op bezoek komt en een brief uit Nederland voor haar meeneemt, wordt duidelijk dat Sam niet zomaar is vertrokken. Welk donker geheim probeert zij te vergeten in het zonnige Spanje?

Bloedsuiker is de eerste roman van Simone de León. In het dagelijks leven heeft zij een drukke baan als arts-onderzoeker, maar Simone kan het schrijven niet laten. Met haar kennis van de medische wereld en haar eigen ervaringen als jonge arts en vrouw in het buitenland schreef zij dit levensechte verhaal.

“Het is even geleden dat ik een boek heb gelezen waar ik zo enthousiast over ben.”

Lees hier een voorproefje

“Het is klaar!” Door de keukendeur komt een smal jongetje van een jaar of zestien naar buiten. Hij wankelt onder het gewicht van wat hij in zijn handen draagt: een zwarte pan van bijna een meter doorsnede met daarin een laag dampende, goudgele rijstkorrels. Met een zucht zet hij het gevaarte op de bar.

“Dit is de echte paella Valenciana”, zegt ze trots. “Con pollo y conejo.”

Mijn biertje stopt halverwege de tafel en mijn mond en blijft even in de lucht zweven. “C…onejo?” zeg ik na een korte stilte, waarin ik haar woorden in mijn hoofd herhaal.

“Claro!”, zegt ze.

“Conejo”, zeg ik. “Je bedoelt….” Ik steek mijn beide wijsvingers op ter hoogte van mijn oren en wapper ze even heen en weer. “Zo’n soort conejo?” De jongen schept al voor me op. Ik kijk naar de stukjes vlees voor mijn neus. Daar ligt ‘ie, Flappie himself.

“Si”, zegt mama Martínez. “En kip.”

Ik ben geen vegetariër. Verre van. Die kip hadden ze voor mijn part voor mijn neus mogen slachten –ik kan tegen bloed, ik heb wat uurtjes op de operatiekamer doorgebracht – maar Broer Konijn terugvinden in mijn vrijdagmiddaglunch? Da’s toch even iets anders.

“¿No te gusta?”, vraagt mama’s vriendin. Ze kijkt beteuterd. “Dit is de echte paella, hoor”, verzekert ze me. “In de echte paella Valenciana zit kip en konijn, niets minder, maar vooral niets meer. Als iemand jou een paella met garnalen of mosselen voorschotelt en zegt dat dit Valenciaans is, mag je het direct terugsturen naar de keuken. Er zijn nu zelfs restaurants die er cho-ri-zo in stoppen, nu vraag ik je!” Ze spreekt het woord chorizo uit alsof het om een stuk besmet radioactief afval gaat. Mama Martínez schudt instemmend haar hoofd. “Wat ze al niet verzinnen tegenwoordig, hè?”

“Vreselijk, ik weet het. Eet smakelijk.” En ze laat ons alleen. Ik pak mijn vork en laat hem twijfelend boven mijn bord rijst zweven. Joshua en ik hadden vroeger een konijntje, Rabbit. Rabbits hok stond achterin de tuin. ’s Winters mocht hij van mijn moeder naar binnen, maar alleen als het meer dan vijf graden vroor. Dan stond hij achterin de garage tussen de tuinstoelen en de gereedschapskist. Ik geloof niet dat Rabbit erg oud geworden is.

Ik schuif een beetje rijst op mijn vork. Als je kip eet, moet je ook konijn eten, Sam. Ik neem een hap.

“Mmm…”, zeg ik om mezelf af te leiden.

“Waarom doe je je ogen dicht?”, vraagt mama Martínez.

“Omdat het zo lekker is.” Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en voel hoe Flappie in mijn slokdarm verdwijnt.

“Heerlijk.”